
Nederland is een vrij land. Een land waar je zelf kiest, waar je in gelooft, wat jij vertelt en hoe jij je kind opvoedt. Onze grondrechten, beschermd in de grondwet, is het maatschappelijke vangnet waarin wij onszelf kunnen terugvinden en meehelpen op te staan van een juridische of sociale val. Toch kunnen deze grondrechten flink schuren.
Artikel 23 uit de grondwet is een groot onderwerp van discussie. Het recht op vrijheid van onderwijs. Publieke, speciale en religieuze scholen worden allemaal gesubsidieerd door de overheid. An sich geen probleem, echter ontstaat er wrijving wanneer je op de religieuze school meekijkt in de lessen, en dit legt naast de burgerschapsopdracht (Het lesgeven over de democratische rechtsstaat en haar kernwaarde).
De meeste Nederlanders vinden het van groot belang dat je als kind leert wat autonome vrijheid is, de lesmateriaal uitgevers die deze religieuze scholen voorzien van materieel zeggen ook deze boodschap volmondig te omhelzen. Denk aan de Islamitisch-geinspireerde lesmethode “Worden wie jij bent” van Ibn I Sina. Volgens hun eigen site is de methode gericht op het kind laten ontdekken wie het is, en het te laten ontwikkelen in hun eigen unieke omgeving en persona. In de onderliggende pedagogiek staat echter duidelijk beschreven hoe een kind een dienaar kan worden van Allah en waarom dat nodig is om verantwoordelijkheid te kunnen nemen.
Alleen al de naam: “Worden wie jij bent” is enorm paradoxaal. Het worden van een eigen autonome zelf zou nooit moeten kunnen binnen de perken van het religieuze onderwijs. Ibn I Sina ziet het worden wie jij bent, dan ook enkel als worden wie jij bent binnen de grote zwarte lijnen die door de Kor’an zijn geschetst. Als je erbuiten valt, ben je niet wie jij mag zijn, ondanks dat dat misschien wel is wie jij wel bent. ‘Gelukkig’ hebben we een school die de groei naar een eigen persoonlijkheid kan afstraffen door de toevoeging van een goddelijk moreel kompas. Zo snel mogelijk moet jouw gedachtegoed (vanaf groep 1) in de religieuze dogma’s geduwd worden.
Als de methode voldoet aan de burgerschapsopdracht namens de regering, dan is het prima. Probleem is echter dat het dat niet doet. Vanuit een onderzoek, uitgevoerd door de onderwijsinspectie blijkt na publicatie door Nieuwsuur dat de kennis over dingen als de evolutietheorie enorm afneemt, de verdraagzaamheid en acceptatie voor de LGBTQ+ community bijna volledig verdwijnt, en zelfs de gelijkheid tussen de man en vrouw helemaal geen vaststaand iets is. De meisjes krijgen sinds groep 1 te horen dat zij minderwaardig zijn aan de man. Als het meisje later in een relatie zit, een huwelijk, dan heeft de man altijd het laatste woord, en hoort het meisje te gehoorzamen aan de man. De jongetjes krijgen te horen vanaf groep 1 dat ze goed orders moeten kunnen geven, niet al te veel medelijden moeten hebben en hun respect moeten kunnen behouden voor de latere gezin reputatie. De toekomstige man moet kunnen bepalen hoe de vrouw zich kleed, en wel of niet het huis verlaat. Alles om de reputatie te beschermen, niks les in autonome vrijheid. De enige vrijheid die de leerlingen van deze methode ondergaan is de vrijheid die Allah je zou geven na de dood, een pure onzekerheid waar de mens mensonterende dingen van gaat doen.
Tevens worden andersdenkende afgeschilderd in deze lesmethodes als een zonde op zichzelf. Oude stereotypes worden aangehaald wanneer je les krijgt over het jodendom, een plaatje van Dagobert Duck die zwemt in zijn bad vol geld zou de vergelijking moeten zijn voor de gierige praktijken van rente die de joden toe zouden hebben gepast. Ongelovigen zouden ‘gevaarlijk’ zijn om mee om te gaan. Mensen die je beter kan vermijden en al helemaal niet vrienden mee moeten worden, zijn namelijk tot ‘erger’ in staat.
Het probleem van de Nederlandse staatsinrichting is de ruimte die wij geven aan onderwijs wat dit soort schadelijke praktijken toestaat, en sterker nog, subsidieert. Dit alles valt namelijk nog altijd binnen ons grondrecht van vrijheid van onderwijs. De overheid dringt aan op democratische belangen, verwoordt in de burgerschapsopdracht. Een principe wat volledig wordt weggeschoven door de ‘vrijheid’ die wordt gebruikt door de scholen zelf. “Dit is wat de Nederlandse staat vindt, maar dat is wat God van jou wil”.
De bijkomstigheid die de verdedigers van dit religieuze onderwijs vaak bewust achterwege laten is de capaciteit van de kinderen aan wie zij de dingen leren. Angstaanjagende beelden van wat de hel is, hoe je daar wordt behandeld en hoe makkelijk je erin komt (als je geen dienaar bent van Allah), zullen altijd de mentale capaciteit van een kind vullen en eerder volmaken dan de abstracte principes van een democratie. Dat zijn dingen waarbij emotie ontbreekt, dingen waarbij je helemaal geen levendig capaciteit vullend beeld mee kan vormen zoals het branden in de hel, terwijl je het bloed van de andere doodgebrande mensen uit de hel drinkt.
Wij, de Nederlandse inwoners zouden onszelf allemaal de vraag moeten durven stellen of artikel 23 nog werkelijk van waarde is, en we het niet moeten laten vallen om de democratische waarden van onze rechtsstaat beter te beschermen dan nu mogelijk is door de gesubsidieerde hersenspoeling. Het schild van vrijheid van onderwijs, wat ooit was bedoeld als bescherming voor de gelovige minderheden, wordt inmiddels uitgebuit en als financiële melkkoe behandeld waar je je eigen anti-gelijkheid manifest mee kan verheerlijken.
Je kan nooit worden wie jij bent, als je kennis over wat je zijn kan wordt bepaald door vrijheid afnemende factoren als geloof.